Kinderen en jongeren
Bij kinderen en jongeren onderscheiden we drie ontwikkelingsfasen, die ieder om een eigen benadering vragen. Deze specifieke groeikracht proberen we aan te spreken bij het oplossen van problemen.
3 tot 6: de wortels zijn de basis voor de groei
Groei, rijping en ontwikkeling zijn de basis voor het ontwikkelen van cognitieve- en sociale vaardigheden. Vertrouwde relaties met opvoeders zijn belangrijke bouwstenen van de persoonlijkheid. In deze fase herkennen we problemen onder andere aan: opstandig of boos gedrag, angst, spanning of prikkelverwerking. In het dagritme kunnen problemen zijn met eten, slapen of naar school gaan. We helpen ouders en kind door samen te bewegen en te spelen en met begeleidende oudergesprekken.
7 tot 12: groeien tot je stevig staat
De wereld wordt groter en de gestelde eisen op school en bij vriendschappen groeien mee. Gedrags- en leervaardigheden tekenen zich duidelijker af. Er kunnen problemen zijn met leren en gedrag, of ruzies thuis. Kinderen kunnen het moeilijk hebben door angst, verlies of echtscheiding. Soms zijn ze somber, zonder aanwijsbare reden, of omdat ze gepest worden. De vraag is steeds in welke mate problemen kind-eigen zijn of gevolg zijn van omstandigheden. Bij het zoeken naar antwoorden maken we, als dat nodig is, gebruik van diagnostisch onderzoek. Naarmate kinderen ouder worden, nemen gesprekken met kind, ouders en gezin een steeds centralere plaats in. De behandelingen rusten op drie pijlers: praten, verbeelden en bewegen.
13 tot 24: groeiende zelfstandigheid
Jongeren slaan hun vleugels uit en zoeken naar hun mogelijkheden en grenzen. De hulp breidt zich in deze fase uit naar het omgaan met deze zoektocht: naar je plaats in het gezin, in de klas en in de samenleving. Naar manieren om je leven te organiseren, naar sexualiteit en levensvragen. En we helpen brugklassers de drempel naar de middelbare school over.


